07-10-10

HERINNERINGEN AAN BACHTENBERGE

HERINNERING 

Latem, in jouw warme wieg ben ik geboren

Uit de warme moederschoot van een vrouw

Die het leven lief had en de natuur minde

Mijn eerste passen zette ik in de fleurige tuin

Die fier aansloot bij het stralende heideland

Door de grillig kronkelende zandwegeltjes

Drentelde ik als peuter aan moeders hand

Door de bossen van Gevaert en Van Schoote

Luisterend naar het geruis van het groene lover

Het kraken van dennen en stille wiegende varens

Waar eekhoorn of konijn snel het hazenpad koos

Toen ik stralend van levenslust de berm indook

Door de Warande en de stoffige Muldersdreef

Snelde ik naar het vruchtbare erf van tante

Waar frambozen, stekel-, bos- en blauwe bessen

De komst van dat vervelende ukje verwensten

Haar stem als een klok riep me heel snel tot orde

Naar het koele terras met de bloeiende glycine

Voor een glas met roze, stroperige grenadine

Zoemende bijen en dartelende botervlinders

Waren mijn gezelschap daar in Bachtenberge

Binnen tierde en vloekte een drinker of kaarter

Ik genoot van de sierlijkheid van paard en ruiter

Staarde hem na op zijn weg naar de Koedreef

Die schoonheid is net als tante en ma verleden

Als ik er toevallig ben, denk ik dan keer op keer

Jammer maar die tijd van rust komt nimmer weer

16:02 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen, POEZIE, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

Hommage aan Panamarenko

Parijs vanuit de lucht

een heerlijk zicht

ver van de wriemelende 

en drukke mensenzee

die door de stad meandert

Bij schemering een oase

Een flamboyante stad

vol klank- en lichtspel

Il est cinq heures Paris s'éveille

klinkt in een chanson

mais non

Paris ne s'endort pas...

panamarenkoAEROMODELLER_1.jpg

11:50 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen, POEZIE | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

OPAALKUST

De geurige zilte van de zee

het gebeuk van de golven

de statige rotsen van krijt

het speelse licht van de zon

het veelal verlaten strand

van keien en opwaaiend zand

het gekrijs van meeuwen

boodschappers van peis en vree

vandaar mijn diep verlangen

te kuieren langs de Opaalkust

misschien vind ik er eindelijk

wat ik zo graag wil: rust

 

opaalkust.jpg


11:12 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen, POEZIE | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

31-08-08

DE OUDE MAN EN HET RUSTHUIS

WACHTEND OP...

 

Het parfum van de dood zweeft

door jouw witnette kamer

alles mooi geordend

als toen je nog vol leven was

je handen strijken het tafellinnen

strelen die laatste plooi glad

in het reine met jezelf

je doffe ogen staren weg

van het wriemelende beeld

op die trouwe televisievriend

je kijkt maar ziet niet

de muziek komt niet tot jou

gelaten wacht je op de veerman

die je straks, wie weet wanneer,

gaat vergezellen naar

het aardse eindigen...

09:46 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

NA DE BLOCK KOMT DE MUZE WEER...

MAANSPIEGEL

 

De middagzon laat

de zomer oplichten

door triljoenen stralen

Aan de einder waakt

in stilte de maan

en verzint gelaten

een zacht wiegenlied

Laat ons licht en warmte

koesteren tot langzaam

de dag in nacht vergaat

Tot de kille avondbries

speels rondjes draait

op het helle groene vlak

van de spiegelende vijver

wijl wij stiekem genieten

van het warme oranje

van de ondergaande zon

dat vervaagt door de schijn

van manneke maan

 

09:41 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

25-02-07

WRITERS BLOCK

DICHTERSVERDRIET

 

Droevig staart de dichter door het raam

Een waterzon schenkt de lentehemel licht

Hij vindt troost bij de speelse vogels

Die kwetterend van tak naar tak dartelen

En sprokkelhout naar het nest fladderen

 

Uren verkent hij de groene verte

Zoekend naar een straaltje inspiratie

Nu de jaren hem niet meer dragen

En hij aan zijn zetel gekluisterd

Op de komst van de muze wacht

 

De inkt is lang versteend en het papier blank

Maar ook het toetsenbord blijft onaangeroerd

Muziek brengt evenmin die woordenvloed

Dan klinkt plots die goede oude Mouloudji

Verlaine geeft het vers weer nieuwe moed

 

Er steekt een moraal in dit verhaal

Zit nooit verlegen om tekst of taal

Aanvaard dichterlijke eenzaamheid

Het zal geen toeval zijn want weet

Jouw trouwe muze zal er altijd zijn

 

 

 

18:05 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

EEN NACHTELIJKE WENS

NACHT

 

Ik staar naar de hemel

De maan gehuld in nevel

Schijnt vaag door de wolken

Sterren schitteren en vonken

Ik zoek een glimp van de legende

Het einde van menselijke ellende

Ik verzink in hoopvolle gedachten

Zeg vaarwel aan eenzame nachten

Wie de tekens aan de hemel ziet

Vergeet tegenspoed en verdriet

 

17:44 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

12-10-06

EEN NOSTALGISCHE NOOT

 

Ode van de Treurwilg aan George Minne

 

Meester, jaren heb ik bij uw graf

Getreurd, geweend, gewaakt

Een vuurbal heeft me gekraakt

Vernielde bij hemellicht en donderslag

Glitter en glans van mijn gewaad

Stoer bleef ik overeind, van slag

Nu werd ik gekapt, gekandelaard

Vervormd tot een hoekige karikatuur

Bij de stijlvolle, verfijnde sculptuur

Waaronder jij rust bij nacht en dageraad.

 

21:40 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

01-10-06

SUDOKU, een cursiefje als het mag...

S U D O K U, mens ik erger mij wel!

 

De tijd van de doorlopers en de Zweedse kruiswoordraadsels lijkt voor goed achter de rug. Als je ’s morgens de krant uit de bus haalt en naar het kleinste kamertje rent om daar op “’t gemak” tijdens het ochtendlijk drukken een woordraadseltje mee te pikken, sta of beter zit je voor schut. De jongste maanden hebben de krantenjongens er niets beter op gevonden dan die vertrouwde woordpuzzels te vervangen door hersenbrekers of cijfervreters met de exotisch klinkende naam Sudoku. Als ‘woordspeler’ erger ik mij aan deze populaire evolutie waarbij ‘geletterden’ vaak te kakken worden gezet. Excuseer de uitdrukking, maar in mijn dorp is die nog steeds gangbaar.

In cijferen was ik nooit een echt wonderkind. Tot ergernis van mijn ouders had ik in het middelbaar elk jaar opnieuw een herexamen voor wiskunde.

Mij stoorde dat niet echt.

Zo moest ik niet met de familie gaan kamperen in Italië en kon ik rustig alleen thuis blijven met een chaperonne, die ik makkelijk binnendeed. Zij mocht haar liefje meebrengen als ik mijn vrienden en vriendinnetjes af en toe eens mocht vergasten op een ‘surprise party’. Maar we dwalen af.

Ik vertelde dus dat ik een fervent kruiswoordfanaat ben en mij nu in het kruis genomen voel door de Sudokuvakjes in mijn krant of televisieblad.

Hoe meer ik mijn hersenen breek met die cijfers van 1 tot 9, hoe pissiger ik word.

Uit ergernis ben ik een gaan ‘googlen’ om te lezen dat de naam Japans is, afgeleid van “Suji wa doku shin ni kagiru”. Laat mij mijn kop niet breken met de vraag hoe je dit vertaalt of ik krijg het pleuris, wel weet ik dat su getal betekent.

Erger nog vind ik dat het idee Amerikaans is en gecreëerd werd door een zekere Howard Garns, een architect met passie voor cijferen en goedbetaald amateur-puzzelmaker bij kranten en magazines. Het spel werd voor het eerst in de States geïntroduceerd in 1979 onder de naam ‘Number Place’. De puzzel werd dan in 1984 door Nikoli in Japan binnengeleid waar het uiteindelijk de naam Sudoku kreeg. Vanaf 1986 genoot Sudoku een enorme populariteit in Japan. In 1997 zag Wayne Gould, een Nieuw-Zeelandse gepensioneerde, een Sudoku en werkte vervolgens zes jaar aan een computerprogramma om Sudoku's op te stellen. De wagen was aan het rollen. Hij verkocht de hele zaak aan The Times die op 12 november 2004 begon met het publiceren van de puzzels en zo het vuur aan de lont stak voor een wereldwijde hype .
Die wiskundige rotzooi of, als je aandringt, ‘spelletje logisch denken’, komt dus, via een ommetje langs Nippon, onze kranten vullen, zodat mijn vertrouwde letterpuzzels aan populariteit verliezen. Dat staaft mijn overtuiging dat Japanners en Chinezen, met al hun volkswijsheid, toch heel wat zaken uit het Westen meepikken en ‘ver-Oosteren’.

Volgens de regels van de kunst los je een Sudoku op door gewoon logisch te denken.

Een warhoofd als ik vertrek dan onverbiddelijk met een handicap.

Ik googelde verder naar de spelregels. Je hebt een rooster van 9 vakjes bij negen en daarin moet je de cijfers van 1 tot 9 plaatsen. In elke rij en elke kolom kan elk cijfer van 1 tot 9 echter maar een keer voorkomen. Als ik dan logisch begin te denken, begint mijn kop te tollen. Ik lees verder en zie dat ook in elk vak van 3 bij 3  slecht eenmaal diezelfde cijfers mogen gebruikt worden. Dan breekt mijn klomp helemaal en haak ik af.

Dit getallenspelletje is misschien leuk maar zeker niet mijn ding. Toen ik verder op de cybersnelweg zocht las ik dat je er zo maar 5.000 Britse Pond kon mee verdienen.

In Chipping Sodbury – neen, niet in die dolle Verenigde Staten, maar in het conservatieve Engeland – heeft men ’s werelds grootste sudokuspel neergeplant. Een vierkant van 84 bij 84 meter. Hij of zij die het kan oplossen steekt de poen op zak.

Ook de Italianen zijn door de sudoku gestoken.

Dit jaar was er in Lucca het wereldkampioenschap en god betert, noch een Japanner, noch een Amerikaan gingen met het goud lopen, maar een Tsjechische cijferaarster met logica.

Sudoku, de leukste breinbreker! Aan me hoela…

Uit frustratie ben ik vandaag gewoon bij de krantenboer langsgelopen en heb ik mij een ouderwets, poepsimpel puzzelboekje gekocht en het naast de troon in het kleinste kamertje gelegd.

Dat zal mij minder stress geven bij het maken van mijn gevoeg…

  

13:19 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

14-09-06

AAN RICHARD MINNE

 

Langs straat, park en plein

Grafitti alom geklad

Des dichters verzen van wee en pijn

Met vieze tekens gezwart

Zijn liefste had hem net

Met beide voeten op d’aarde gezet

En de wildste wanen

Van zijn wangen gekust

Hartenpijn zal stilaan tanen

Tot hij er in berust

15:51 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

21-08-06

BEDENKING II

Oprechte liefde onluikt slechts zelden

Je moet ze dan ook vol overgave

Koesteren als een hemelse gift

Ze beleven met intense vreugde

Alleen dan kan je echt gelukkig zijn...

 

21:18 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

BEDENKING

 

bemoeizucht en verziekte naijver

beroert je ziel ten koste van de liefde

je gooit de toekomst te grabbel

de mens  zou er beter aan toe zijn

mocht elkeen voor eigen deur vegen

 

21:11 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

04-06-06

EENZAAMHEID GEBANNEN

HERBOREN

 

Bij nacht verdrink ik in jouw reeënogen

Je donkere haar streelt mijn gezicht

Jouw ranke lijf over mij gebogen

Ben jij het echt die naast mij ligt

Door jou voel ik mij als herboren

En schenk jou liefde, hart en ziel

Heb die knagende eenzaamheid verloren

Sinds de dag dat ik voor jou viel

 

07:46 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

16-05-06

BINNENKORT NIEUWE BUNDEL

Om jullie aan te kondigen dat mijn nieuwe dichtbundel vanaf 6 juni 2006 in de boekhandel zal liggen pende ik een kort gedichtje:

 

DURF

 

Vriendschap effent de weg

om door het leven te gaan

liefde haalt die band aan

zo durf jij je gevoelens aan

en ebt die band nooit weg

stilaan

 

16 mei 2006

 

 

14:44 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

01-05-06

EEN LANG KORTVERHAAL

Gezien dichten momenteel niet zo denderend lukt, pende ik met mijn ouwe 'Mont Blanc' een kortverhaal neer en schreef in voor de Ward Ruyslinckprijs 2006.

Vijf bladzijden hersenspinsels. Zwoegen, denken, fantaseren... Resultaat: glansrijk gebuisd! Toch gooi ik het op het net...

 

MUTATIE

 

Het perron voelt akelig en kil aan. De trein naar Keulen van 7.03 uur heeft zowat tien minuten vertraging. Pauls ogen tranen. Toch steekt hij als neusverwarmertje zijn obligate Benson & Hedges op. Hij merkt dat zijn handen beven. Nochtans is alles rustig. Alleen het verwarrende rumoer van de spoorreizigers en de klaaglijke, eentonige stem van de omroeper die door merg en been snijdt.
Hoewel hij amper een maand tot de forenzen voor Brussel hoort, baalt hij van deze rit. Die wriemelende massa die zich in een chaotische wave op de treintrede stort om een knus zitje in te pikken en jouw ribben en ballen met ellebogen en hielen bewerkt om toch maar eerst te zijn. Walgelijk en kleinburgerlijk vind hij dat. Dit gedoe geeft hem de bibber en stuwt zijn ontbijt naar de keel als hij denkt aan al dat geduw en getrek van egoïstische zielenpoten op weg naar een dagdagelijkse job, die hen meestal amper wat jam tussen het brood oplevert. Zij die zich méér kunnen veroorloven, reizen rustig, wegzinkend in de knusse zetels van een eersteklascoupé, hun Standaard of L’Echo doornemend. Dat klassenverschil moest weggewerkt worden, maar wie is hij? Exact: één van die zielenpoten.
De psycholoog relativeerde die zienswijze in zijn plaats. <Paul, jongen, > zei hij tot vervelens toe, <hoe kun je jou nu ongerust maken om een treinreis van amper veertig minuten tot de hoofdstad? Vooraleer je goed en wel je plekje gevonden hebt in de coupé, ben je ter bestemming.>
<Weet hij veel, die betweterige Freudiaan,> dacht Paul. <Telkens trillen mijn ledematen als ik die trein opstap om tussen de klamme, naar goedkope deodorant ruikende, ontbijtende habitués mijn weg te banen naar een rustig hoekje waar ik nauwelijks opgemerkt word. Die oase vind je echter enkel in het naar pis stinkende toilet, maar als claustrofoob ben ik daar evenmin ontspannen en sta ik doodsangsten uit. Daarbij komt dan nog dat een vroege klant steevast nood heeft om op een nuttige manier van het kleine, enge kamertje gebruik te maken.
Meestal zoek ik dan maar een plaatsje op het randje van een groene, plakkerige zetel, dicht bij de middengang, waar ik bij dreigend gevaar weg kan vluchten. Mijn onwetende kompanen van elke dag proberen een conversatie aan te knopen over de alledaagse berichten in de ochtendkrant. Ik ben bekrompen gezelschap, want elke blik, elke toenadering maakt mij enkele centimeters kleiner. Mijn spieren zijn als te hard aangespannen snaren van een gitaar en dreigen elk moment te zullen knappen. Mijn oren suizen en mijn ogen worden wazig, tong en keel worden droger als een woestijnbeekje in de Sahara. Ik krijg geen klank over mijn lippen. Ik ben angstig. Voor wie of wat?
Geen mens kan het verklaren. Zelfs vier maanden intensieve therapie bij een geduldige zielenknijper bracht geen oplossing. Het is beschamend dat te moeten bekennen, maar ik, de vroeger zelfzekere, ja arrogante Paul De Necker, had de eerste week mijn oude vader nodig om mij 's morgens tot Brussel te begeleiden. In zijn diepe binnenste nam de brave man het mij kwalijk, maar toch had hij er ergens begrip voor. Hij wist door welk inferno ik, enige en overbeschermde zoon, gegaan was en hij bleef veel te toegeeflijk. Een schop onder de broek had misschien wonderen verricht, maar dan dacht hij terug aan zijn jeugd, toen zijn ouders hem het vertrouwen niet gaven dat hij meende te verdienen. Hij was handig en leergierig. Toch had hij moeten zwoegen als brouwersgast om zelf zijn studie te bekostigen. Van thuis uit moest hij koeier worden bij boer Vaernewijck en als de tijd gekomen was met vader en broers naar Frankrijk trekken voor de bietenoogst. Hij had dit ronduit geweigerd en was naar de stedelijke academie getrokken. Tot zijn laatste centiem had hij uitgegeven om decoratieschilder te worden. Hij was dan ook terecht fier dat hij in dat opzet geslaagd was. Paul was uit hetzelfde hout gesneden. Niet dat hij handig was. Integendeel. Op gebied van handvaardigheid was hij een nul. Wel was hij rad van tong en vlot van pen. Toch had vader hem liever als loodgieter of mechanieker gezien. Dat was volgens hem dé toekomst. Een zelfstandige, een middenstander had de mogelijkheid om wat zwart geld te potten. Een pennenlikker gaf zijn laatste frank aan de fiscus, maar Paul had die voorgekauwde theorie – waar toch enige waarheid in school – nooit willen slikken. Zijn ouwe man had het niet voor intellectualisme en literatuur. Tenslotte kon je de natuur niet dwingen en hij had er zich bij neer moeten leggen. Stiekem was hij wel een beetje fier op de overredingskracht van zijn zoon, want had ook hij zijn willetje niet doorgedreven?
Met deze gedachte wandelde hij dan, rustig, als een toevallige voorbijganger, mee tot honderd meter voor de building waar ik werkte. Daar scheidden onze wegen en snelde vader terug naar het station om zijn trein te halen. Hoewel hij aan de andere kant van het land zijn bezigheid had, stond hij 's avonds stipt om 17.13 uur op het perron, zonder teken van herkenning te geven, ietwat medelijdend achter zijn beduimelde krant, toe te zien hoe zijn eens zo veelbelovende, dominante zoon, bangelijk de seconden aftelde tot Gent-Sint-Pieters. Geen mens die de relatie tussen die twee vermoedde toen ze beiden naar de enkele straten verder geparkeerde wagen slenterden. Ik kroop achter het stuur en samen reden we huiswaarts, waar ik meestal uitgeput, totaal leeg, in tranen uitbarstte door de opgekropte emoties van die dag.>


Emoties, zeg je? Wel ja, de doodgewoonste dingen waar een normaal mens niet bij stilstaat, daar had Paul de grootste moeite mee. Een bureauchef die een bediende uitkaffert, deed hem gewoon in mekaar krimpen. De loeiende sirene van een politiewagen op de laan, het onophoudelijk rinkelen van tientallen telefoons in een zaal waar veertig en meer stofjassen saaie dossiers behandelen, het bracht hem allemaal in paniek. Stomme, sullige zaken. Hij kan zich moeilijk concentreren op zijn taak. Gelukkig is zijn job stereotiep en heeft nog geen enkele van zijn oversten aandacht geschonken aan zijn problemen. Hij laat ze dan ook in de onwetendheid. Vraag mij niet hoe het zover is kunnen komen. Is hij schizofreen? Manisch depressief of gewoon een zwakkeling die niet meer kan functioneren in de drukte van de twintigste eeuw? Geen mens vond er ooit een verklaring voor. Enkele pillen per dag moeten hem verder helpen. Heimelijk slikt hij, nauwlettend dat niemand hem betrapt. De wereld lijkt voor de sterken, bewijs dat je erbij hoort. Ik merk dit als we naar de rustpauze van 10.30 uur toegaan. Uitgelaten verlaat de kudde pennenlikkers de immense zaal. Alleen een steeds wisselende permanentie blijft op post. Doortrapt als hij is, probeert Paul even voor die tijd naar de toiletten te verdwijnen. Na enkele dagen had de dienstchef dit echter door, riep hem ter verantwoording en verweet hem zijn asociale gedrag. Toen kon hij er niet meer onderuit en moest hij net als de collega's op dit ontiegelijke uur bij een gezellige babbel twee Mort Subite achter de kiezen slaan. Waarom nam hij zijn oversten niet in vertrouwen? Dat kon niet. Binnen de kortste keren zou hij het centrum van spot worden, want elke gelegenheid werd benut om iemand in zijn hemd te zetten. Steeds weer zocht men een nieuwe pispaal.
‘s Maandags stond Paul De Necker met dikke ogen en geeuwend van de slaap op de 7.03 te wachten op perron 10. Hij friemelde in zijn pakje, maar de sigaret wou er maar niet uit. Hoewel hij dacht van wel, nam geen mens notitie van zijn nervositeit. Frieda van de Nationale Loterij kwam eraan. Hij nam dankbaar een Marlboro aan en inhaleerde nerveus de rook tot diep in de longen. De manillers kwamen er ook bij. Alleen Jacques ontbrak nog. Den Tsjok, zoals hij in de wandeling werd genoemd, was ook uitsmijter in dancing Balmoral en zou, ongetwijfeld stinkend naar de drank, enkele sterk gekruide verhaaltjes uit zijn mouw schudden. De trein liep binnen en de massa zette zich in beweging. Het dagelijkse gevecht om een zitje was begonnen. Geen tijd voor angst, je moest met de stroming mee, want anders werd je meedogenloos verpletterd. Dit had Paul ondertussen begrepen. De ellebogen gebruiken, ook al had je het gevoel dat je sluitspieren het zouden begeven onder de druk van die dagelijkse sleur.
Net nu hij enigszins over zijn treinangst heen was, begon Paul aan zijn laatste week pendelen. Het deed hem ergens pijn. Hij had vertrouwen gekregen in zijn reisgenoten en hun gezelschap hield hem rustig. Alleen de twintig eenzame minuten als voetganger in de hoerenstraat naar het kantoor toe, waren hem als een probleem bijgebleven. Hij keek dan ook niet op en als hij dan al eens door een charmante juffrouw aangesproken werd, lachte hij innemend terug en versnelde zijn pas. Niet dat ze hem angst inboezemde. Integendeel, het waren lieve, meestal jonge meisjes, die eenzame, bange zielen als Paul beter begrepen dan wat voor witjas ook. Tijdens de middagpauze kwamen ze vaak in hetzelfde Café Rotonde, waar ze méér dan blij waren rustig te kunnen praten met een man, zonder daarom de benen hoeven te spreiden. Vanaf het Gulf Station keek hij rustig om zich heen en stak behoedzaam het drukke kruispunt over. De glazen dubbele deur knelde zoals steeds. Haastig liep hij naar een van de vele liften, snelde de zaal binnen en groette de lotgenoten. Zij kenden Pauls ritueel. Hij liep naar zijn kast, haalde er de rol toiletpapier en de handdoek uit en verdween in de lavatory. In het begin grapten ze er gretig over, maar mettertijd hadden ze begrepen dat zijn spanningsveld juist onder de maag lag.
Paul had er een aantal maanden voor nodig gehad, maar met de hulp van enkele meer bezadigde collegae, die hij uiteindelijk in vertrouwen had durven te nemen en die zijn geheim wonderwel bewaard hadden, vond hij er nu plezier in te grappen en te grollen in de kantine. Hij durfde zelfs al eens een kaartje te leggen en zich te laat bij zijn dienst vervoegen, de snauwende opmerkingen van de dienstchef negerend.
De laatste werkdag in het Brusselse hoofdkwartier beloofde voor Paul De Necker een zware klus te worden. De bureauchef had hem nochtans van alle taken ontslagen teneinde, zoals destijds in het leger, de minst nuttige en meest absurde attributen aan Den Boestering over te dragen. Een echte Ket die de materiaaldienst beheerde en zijn naam te danken had aan het feit dat hij minstens tweemaal per week pekelharing vrat.
Kapot gekauwde potloden, passers, gekromde meetlatten, volgekladderde vlakgommen, handdoeken en de niet opgebruikte rollen toiletpapier werden zorgvuldig opgeborgen in de muffe rekken van de materiaalpost en als bewijs van inlevering van staatseigendom, kreeg Paul dan ook een nauwkeurig ingevulde, ondertekende en van een officiële stempel voorziene kwijting in de plaats.
Na de schoonmaak van bureauladen en bureel, voorzichtig omspringend met Instanet en stofdoek, verfriste Paul zich en mocht hij op de borrel bij directie-inspecteur Krups, een eng, zelfingenomen figuur, dat hij in die zes maanden noch van ver noch van dichtbij had gezien. Na wat hand geschud en de vermoedelijk gebruikelijke lofwoorden over hoe voorbeeldig Paul zijn plicht had vervuld, wurmde Krups zich moeizaam uit zijn stoel, liep naar de bar, waar hij twee glazen nam, er met een handigheid die je niet van hem verwachtte, ijsblokjes in deponeerde en ze bijna tot de rand met een exclusieve whisky vulde. <Bij een afscheid hoort een stevige neut,> orakelde hij, monkelend als altijd.
Hoewel hij Paul enkel kende van de zorgvuldig bijgehouden personeelsfiche, loofde hij andermaal zijn inzet, voorspelde hem een mooie administratieve carrière en wenste hem voor de toekomst alle geluk en vooral een betere gezondheid toe. Krups had blijkbaar smaak in de Chivas en maakte aanstalten om nog eens vol te tanken. Paul weigerde beleefd. Hij sidderde als hij dacht aan wat er nog komen moest. Fred en Bert waren met de pet rondgegaan om met die afscheidspremie, zoals ingewijden dat noemen, enkele flessen jenever, whisky en snacks te gaan halen in de nabije drankslijterij. Het was een ongeschreven wet dat bij een afscheid, ondanks het verbod van de directie, de collega's zich uitbundig bezatten en de muterende uitgeleide deden naar het station. Onderweg bleven de hevigste struikelen over de stoep van de meisjes van plezier. Paul was als in een euforie en hoewel hij zwijmelde, was hij helemaal niet zo dronken als hij zich voordeed. De trein reed net perron vier binnen en de ongedurig wachtende reizigers maakten wijselijk plaats voor het legertje aangeschoten staatsdienaars. In de ijzige decemberkou hadden de meeste zich flink gehouden. Eens in de oververwarmde treincoupé, kon men tot drie wagons verder meegenieten van het gesnurk van de drinkebroers.
Even voorbij Denderleeuw vielen ook Pauls ogen dicht. Hij zakte gelukzalig onderuit  terwijl zijn reisgenoten, als roken zij hun stal, in de omgeving van Merelbeke uit hun roes ontwaakten. In alle stilte verlieten ze de trein in het Sint-Pietersstation en lieten Paul, rustig tegen Fred aangeleund, in zijn diepe slaap achter. Pas in Adinkerke werden beiden gewekt door de treinwachter. De wagons waren uitgerangeerd en er was geen trein terug. Paul sloeg in paniek. Het schreien stond hem nader dan het lachen en hij moest hoogdringend. Fred, die wist hoe labiel het gestel van zijn vriend was, sprak hem vaderlijk toe en belde een taxi, die hen voor aardig wat centen naar Brugge bracht. Met de laatste trein arriveerden ze probleemloos in Gent. Fred nam afscheid en ging er nog een drinken in de Falstaff. <Je kan nooit weten of er eentje te versieren valt,> riep hij Paul toe als afscheidsgroet. Paul sukkelde naar zijn auto en slaagde erin met een slakkengangetje veilig de thuishaven te bereiken. Daar waren ze uiteraard hevig van hun melk.Het was niet van Pauls gewoonte om later thuis te komen. Hij had zijn vaste schema en dat zat er diep ingehamerd. Hoe ze thuis ook sakkerden, Paul trok de kleren uit, verzonk in een diepe, verlossende slaap en bleef de hele zaterdag in bed, nog steeds bibberend van de doorstane emotie en met een kater van jewelste.

Dinsdag 2 januari. Paul De Necker had geen oog dicht gedaan. Iedere minuut van de nacht had hij langzaam zien voorbij schuiven op de digitale wekkerradio. Tot tweemaal toe was hij de trap afgestommeld op zoek naar iets drinkbaars in de zoemende ijskast. Ten slotte opteerde hij voor een halfvolle fles champagne, in de hoop dat de interactie met de kalmeermiddelen hem rust zou bijbrengen. Terug in bed nam hij een flinke teug en stak zich, tegen alle regels van het huis, een sigaret op. Af en toe lurkend aan de fles, probeerde hij ringetjes te blazen, maar zonder succes. Hij dacht terug aan de voorbije kerst- en nieuwjaarsdagen, concludeerde dat de balans positief was en ging terug slapen.

Rond vijf uur was hij reeds uit de veren. De koffie was aan het doorlopen en geurde heerlijk. Hoewel de familie De Necker reeds jaren over een degelijk koffiezetapparaat beschikte, weigerde vader deze te gebruiken. In een aftands winkeltje in Alveringem had hij zich een voorraad ringen en ouderwetse koffiekousen aangeschaft, waar de volgende generaties nog plezier aan konden beleven. <Al deze nieuwe methodes zijn waardeloos,> herhaalde hij steeds. <Vier maten koffie en een greep cichorei, zachtjes opgego­ten met kokend putwater, dat was pas koffie ...> Paul moest beamen dat vaders koffie inderdaad nog steeds de lekkerste bleef. Hij nam een kop en genoot van de eerste geute, zoals de ouderen dit noemden. Hij was ongewoon rustig en sinds hij in de keuken ronddwaalde, had hij nog geen enkel moment gedacht aan die eerste werkdag in die nieuwe werkomgeving. Moeder kwam zoals meestal zingend uit de badkamer. Het leek of zij de gave had om de zorgen op die manier van zich af te gooien, maar binnenin moeten al die opgekropte onmacht en de droefenis, haar gemoed zwaar ondermijnd hebben. Met vader had ze het niet makkelijk gehad. Hij dronk graag een pintje, legde graag een kaartje en kneep af en toe een katje in het donker, zoals Miel Cools dat zo mooi had geformuleerd. Dat dronkemansgedoe had ze onder de mat geveegd. Het was vooral Paul die haar zorgen baarde en diep ongelukkig had gemaakt. Had zij hem niet gewaarschuwd voor al die roekeloosheid? Maandenlang had ze aan zijn bed gewaakt tot hij er opnieuw bij was. Dat had haar enorm getekend. Ze liet Paul in zijn toren van stilte, smeerde vaders boterhammen en vulde zijn carnassière met een automatisme dat reeds dertig jaar onveranderd gebleven was.
Paul De Necker hoefde zijn pilot case niet aan te vullen met thermos, belegde broodjes en snoep. De eerste werkdag in de ambtenarij is een feestdag. Rond tien uur wordt verzamelen geblazen in de refter van de administratie. De directeur maakt een grondige maar onnodige evaluatie van het voorbije dienstjaar. Wat kunnen deze cijfers bijbrengen aan het voetvolk, het lagere echelon, dat er steeds voor spek en bonen bijloopt en door het algemeen in voege zijnde paraplusysteem altijd opdraait voor het spaak lopen van het raderwerk in deze logge machine? Zij, de kleine mannen, die de gevallen steken steeds weer moeten oprapen en stank voor dank krijgen, drinken zich naar traditie in en rond het station moed in om naar dat jaarlijkse gezever luisteren. Af en toe worden ze ertoe bewogen om, uit beleefdheid, de handen nog eens op elkaar te krijgen, als een collega de Ridder- of Kroonorde opgespeld krijgt, waarvoor hij zelf, nota bene, de kosten heeft moeten betalen.

Ook het verslag van de Vriendenkring – of hoe je die verkrampte inspanning ook noemen kunt – gaat aan de massa voorbij. Hun geest is reeds in hogere sferen en droomt van het moment wanneer het lichaam, gekluisterd aan het zwoele, tere lijfje van de heimelijk beminde vrouwelijke collega, over de dansvloer zweeft. Want vanaf dat moment, die dag voorbij, komt de harde realiteit. Nu vriend, dan Judas, is niet ongebruikelijk in dat bekrompen wereldje, waar zij met de sterkste ellebogen en de juiste politieke relaties het hoogst de hiërarchische ladder beklimmen.

Hoewel het pas zeven uur in de vroege ochtend was, stond Paul De Necker vertrekkensklaar. Frans De Wispelaere, hoofdcontroleur bij de personeelsdienst, had hem nochtans tijdens hun korte, koele kennismaking laten weten dat hij zich de eerste werkdag van het nieuwe dienstjaar pas tussen 9.30 en 10.00 uur diende te melden bij adjunct-verificateur Van Hove op de tweede verdieping. Paul worstelde echter nog steeds met het parkeerprobleem en even na halfacht zette hij zijn knalgele Triumph Spitfire probleemloos neer aan de hoek van de Voldersstraat. De stad was heerlijk stil en rustig. Een rust die af en toe verstoord werd door het gerinkel van de trambel in de nabije Sint-Niklaasstraat. Hoewel hij de ochtendeditie van De Gentenaar had meegenomen, kwam hij er niet eens toe de koppen te lezen. Om het lange wachten iets aangenamer te maken, had hij wel de autoradio aan. Paul De Necker had ergens ook een onbestemde angst voor het nieuwe. Vroeger zocht hij het avontuur op. Nu zou hij het liefst in een donker hol kruipen, weg van de buitenwereld en de realiteit. In feite was hij een zonderling sujet.

Maar in omstandigheden waar anderen de angst om het hart sloeg, was hij steeds alert en onversaagd. Een dualiteit waarvoor heel wat psychiaters en psychologen geen passende verklaring hadden kunnen vinden. Stelde je hem onverwacht voor de feiten, was hij ‘cool’, in het andere geval viel hij in kattenzwijm.

8.15 uur. Nog steeds geen beweging in de stad. Paul draaide de radioknop dicht, stapte uit, sloot zorgvuldig de wagen en ging een eindje lopen. Naast de universitaire aula ontdekte hij een handel in tweedehandsboeken. Hij was een veellezer en als de muziek hem niet meer kon boeien, zocht hij vaak zijn heil in een luchtige roman of in wetenschappelijke studies. Hij had pech want de winkel ging pas om negen uur open. Hij wandelde verder tot aan ‘Lieven Bauwens’, keerde dan op zijn stappen terug en liep de Gouvernementstraat in.

8.26 uur. De dienstingang was nog steeds potdicht. Traag slenterde hij opnieuw naar de auto en net toen hij wilde instappen, opende de koffieshop zijn deuren. Hij was de eerste klant. Paul bestelde een lait russe, zoals de echte Gentenaar een koffie verkeerd noemt. Toen de mollige koffiedame hem eindelijk bediende, was de zaak reeds halfvol gelopen met rustige, kranten lezende ambtenaren en kwetterende oude tantes, die bij een bakje koffie de opening van de Innovation afwachtten. <Hoi, ouwe zuipschuit,> klonk het achter Pauls rug. Hij draaide zich om. Het was verdomd nog tot hem gericht ook. <Biljarten in Het Trompetje, Paul. Weet je ’t niet meer of zijn de jeugdzonden uit je geest verbannen?> Nu herkende hij Dirk Van Wesemael, zijn schaduw in het derde jaar boekhouden aan het Handelsinstituut. <Wat doe jij in godsnaam in een koffietent?> stuntelde Paul onthutst. Het zweet brak hem uit want alle aandacht ging naar hen toe. Dirk was de stoere bink van de klas en tijdens het laatste lesuurtje waren hij en Paul er vaak tussenuit geknepen om een partijtje te carambollen in het café waar studenten en mensen van ’t Paleis gezamenlijk lol trapten. <Jaren niet gezien, joch. Wat kom jij aanvangen in je ouwe stad?> Paul vertelde dat hij als ambtenaar, na zes maanden hoofdstad, gemuteerd was naar de provincie en dat het vandaag uitgerekend zijn eerste werkdag was. <Wat? Kom je ons vervoegen in de Gouvernementstraat? Welkom! Ik stel je straks wel aan een paar toffe binken voor. Ik zit er nu drie jaar, maar weet, maatje, mochten het bier en de meiden mij geen bevredi­ging hebben gegeven, dan hadden ze me al lang uit de Kuiperskaai kunnen vissen ... Enfin, ik moet het je niet zweren, je hebt die enge mentaliteit al zelf geproefd, niet?>

 

Een betere hartversterker had Paul zich niet kunnen dromen. Loopt hij daar een oude schoolmakker tegen het lijf, en wat krijgt hij een opdonder van jewelste. Hij had gehoopt op collegialiteit en geborgenheid en wat staat hem in ’t verschiet: hartvreterij en hypocrisie zonder naam. Tenminste als hij Van Wesemael mocht geloven. Hoewel, Dirk had steeds uitgeblonken in het doorgronden van de gaven en gebreken van het mensdom. Weliswaar was hij tijdens zijn studentenjaren steeds afgeschilderd als het fuifnummer en de loltrapper bij uitstek. Toch hadden de meeste vrienden respect voor zijn mensenkennis en de unieke manier waarop hij door het leven laveerde. Het verwonderde Paul dan ook uitermate juist hem in dit saaie, bekrompen wereldje van de ambtenarij aan te treffen.
De Van Wesemaels hadden generaties lang een belangrijk zakenkantoor met een gigantische verzekeringsportefeuille. Van Dirk werd niets anders verwacht dan dat hij die familietraditie in ere zou houden. Na zijn studie economie had hij een tijdje stage gelopen bij de Bank van Brussel, maar na het leger was hij er niet meer teruggekeerd. Tot grote ontsteltenis van de familie aanvaardde hij een kaderfunctie bij C&A. Vooral zijn vader was er het hart van in. Gelukkig was zijn jongere zus voor hem ingesprongen en zorgde zij voor de opvolging. De liefde voor de prijsvriendelijke trendy shop was echter van korte duur gebleken en op aanraden van zijn vriend Patrick Van Geem nam hij deel aan een algemeen wervingsexamen voor alle ministeries. Dirk slaagde cum laude en werd bijna ogenblikkelijk benoemd in eigen stad. Hoewel de administratie hem geenszins boeide, filosofeerde hij dat enkel de maandwedde telde om te overleven. De vreugde en de zin voor het echte leven had hij ontdekt aan het Gentse Sint-Lucasinstituut. Mettertijd was de verkoop van zijn artistiek oeuvre belangrijker dan zijn ambtenarenloontje.
De uithuizigheid bij de studie en later bij het doceren aan de Stedelijke Academie had hem wel zijn gezin gekost, maar daar was hij, naar eigen zeggen, nu overheen. De verhouding met Myriam en de kinderen was harmonieuzer dan ooit tevoren. Hoewel Myriam een vaste relatie had, kwam ze nog geregeld over de vloer om familiale zaken te regelen, want hoewel ze uiteen waren gegaan, hadden ze besloten geen echtscheiding aan te gaan.
Alleen de eenzame nachten hielden Dirk uit zijn knusse studio met annex atelier. Het gebeurde dan ook vaak dat hij na de les bleef hangen met de leerlingen en 's morgens met een houten kop wakker werd op het kot van een van zijn studentes. Daarom ook was hij, als naar gewoonte, de koffieshop binnen gewandeld.

<Jonge meisjes moeten uitslapen,> orakelde hij. <Op die manier blijven ze mooi en vertragen zij het verouderingsproces dat een artiestenleven met zich meebrengt.> Hij offreerde Paul nog een koffie verkeerd en nam zelf, na de twee opkikkerende mokka's, een Irish coffee. <Op die manier kom je optimaal onder stoom en als het raderwerk van je levensmachine tegensputtert, doe je het wat kalmer aan. Ik leer je de streken wel.>

Paul en Dirk keuvelden nog wat over het leven in de administratieve gemeenschap en de brave, schuchtere Paul begreep, na de sterke verhalen van zijn tafelgenoot, dat er weinig verschil te merken viel met de Brusselse mentaliteit.

<Wat had je gedacht, mijn beste Paul, een ambtenaar is en blijft een ambtenaar, waar ook ter wereld,> zei Dirk terwijl hij de waardin erop attent maakte dat ze moesten opstappen.

Omstreeks 9.40 uur rekenden ze af en slenterden naar kantoor. Dirk introduceerde hem bij de personeelschef, hoofdcontroleur De Wispelaere en diens acolieten.

Het kantoor was kaal. Buiten hier en daar een verkleurde poster met een niet mis te verstane boodschap van een of ander ministerie was het interieur smakeloos, nergens een ziertje spontane menselijkheid. Het meubilair was – als dat kon – nog troostelozer en ouderwetser dan in de hoofdstad. Reeds bij de poort had Paul zich niet van de indruk kunnen ontdoen voor een versterkte burcht te staan. De zware poorten waren fors beslagen met enorme middeleeuwse nagelgarnituren en toen hij met Dirk het onooglijke, anachronistisch dienstdeurtje door was gewurmd, werd hij door een chaotische vrees bevangen.

<Wel, mijnheer De Necker,> zei De Wispelaere met fluwelen stem, <wees welkom in ons midden. Als er problemen zijn, kan je steeds op mij en mijn personeel rekenen. Maar wees gerust: de werksfeer en de collegialiteit zijn hier voorbeeldig.>

De manier waarop de man het zei, boezemde hem toch enig vertrouwen in. De Wispelaere had vijf man onder zich, waarbij drie jonge vrouwen. Twee ervan oogden mooi. De twee tikjuffers boden een verbouwereerde Paul hun nieuwjaarswensen aan met drie dikke smakkerds van zoenen. De derde, zowat de rechterhand van de chef, gaf een slap handje en prevelde iets onduidelijk tussen haar tanden. Zij was adembenemend mooi en was er zich duidelijk van bewust. Jérome en Emile waren reeds ‘fin de carrière’ en leken fijne kerels. Dat voelde Paul aan de stevigheid van hun handdruk en aan de maturiteit waarmee ze de nieuwe op zijn gemak stelden. Het was Emile die Paul zou begeleiden naar ‘het tweede’, de zaal waar de verse krachten werden ingewijd. De lift deed het natuurlijk niet. Geen ramp op zich volgens Mielke, maar dit betekende dat de afdeling enkel bereikbaar was via de noodtrap. Die lag aan de andere zijde van het gebouw, waarover hij vertelde dat het een samenvoeging was van een vroegere notariswoning en de stapelruimte van een meubelfabriek. Een hoogst merkwaardige architectonische combinatie, dacht Paul, maar hij besteedde er verder geen aandacht aan.

Na een lange klimpartij bereikten beiden De Tempel der Stilte. Die naam kwam er door de onverbeterlijke onderwijzersmentaliteit van dienstchef Maurice Van Hove. Hij duldde geen gepraat in zijn zaal. De vierentwintig lagere ambtenaren ondergingen dit lot wonderwel zonder morren. Bij het minste geluid keek Van Hove op en tikte – als in grootvaders tijd – met een stalen liniaal op zijn houten schrijftafel en betrapte hij er een, dan kon die zich gaan verantwoorden bij de directie-inspecteur. Zo'n reisje had dan wel disciplinaire gevolgen, zodat je een jaartje langer kon fluiten naar een gunstige quotatie voor eventuele verhoging in rang. <Maar,> stelde Miel hem gerust, <den Miesten valt wel mee en vooral, hij is uiterst gevoelig voor complimentjes en confidenties.>

Van Hove bleek inderdaad een minzaam man. Hij kwam achter zijn werktafel vandaan en liet zijn tekenwerk voor wat het was om de nieuweling passend te verwelkomen. Hoewel de zaal stilaan volliep, kwam niemand het gesprek storen. Pas nadat Van Hove met zijn liniaal aandacht vroeg om correspondent Paul De Necker voor te stellen aan de nieuwe werkmakkers, kwamen de tongen los en werden uitvoerig nieuwjaarswensen gewisseld.

Paul De Necker voelde zich de spreekwoordelijke hond in het kegelspel. Niemand schonk verder aandacht aan hem. Hij ging aan de hem toegewezen werktafel plaatsnemen en keek geamuseerd rond hoe zijn nieuwe collega’s elkaar om de hals vlogen en kwetterden als een zwerm spreeuwen. <Nu alles koek en ei,> dacht Paul, <maar morgen zitten ze mekaar weer in de haren. Loze woorden over geluk en gezondheid en verder het hele jaar door mekaar de ogen uitkrabben en roddelen. De administratie, een hol vol hypocrieten die hun chef zouden neuken om toch maar op een goed blaadje te staan, om een gunstige beoordeling te krijgen.> De mutatie was een feit. Nu kwam het belangrijkste:  de aanvaarding of is het berusting?

 

12:41 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

25-03-06

OVER GEDROOMDE LIEFDE...

Het heldere maanlicht streelt

Jouw warrige lange haren

Na het wulpse liefdesspel

Mijn wakkere wakende ogen

Twinkelen bij de onschuld

Van jouw stralend gezicht

Ik hoor me diep ademen

In de stilte van de nacht

Kan de slaap niet vatten

De maan tovert schimmen

Op de deuren van de kast

De donkere schaduwen

Van de bomen dartelen

Als speelse handpoppen

En brengen verstrooiing

Bij een slapeloze nacht

19:25 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

OPEENGESTAPELDE EENZAAMHEID

Net als vele geestesgenoten, kunstenaars en autochtone Latemnaars treurt mijn goeie vriend en nestor onder de plaatselijke dichters om de verzuring van een dorpsgeest en het verdwijnen van het geborgen landelijk karakter.

Ik wil met u zijn gedicht delen:

 

Een merel zoekt mistroostig

zijn morgenlied

 

de zang van de lente

vervreemd van het dorp

 

het plan van aanleg

creatief flexibel

belaagt

de tere geborgenheid

jaar na jaar

geweven

herweven

 

de kerk, rustig wit,

weggedrumd

naar de vergetelheid

spiegelt zich in

verrotte Leie-romantiek

 

de nieuwkomers

kennen onze doden niet

voelen zich thuis

in veroverd gebied,

temidden

opeengestapelde eenzaamheid

19:19 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

05-02-06

SNEEUWPORSELEIN

Alleen romantische zielen

Koesteren samen de warmte

Van neerdwarrelende sneeuw

Doorkliefd door de vlucht

Van een verdwaalde meeuw

Laat ze ons een donzig tapijt

Van maagdelijke vlokken

Dat bij een stralende avondzon

Langzaam zal wegsmelten

Van mijn porseleinen gazon

10:40 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (4) |  Facebook |

11-12-05

GEDROOMDE LIEFDE

Eens het ijs gebroken
Werd kille kou warmte
Genoot met volle teugen
Vertelde mezelf een leugen
Fonkelende ogen doofden
Het licht ging uit
Ik zocht een kaars
Lucifer stak ze aan
En met Plato’s boek
Ben ik naar bed gegaan
De vrieslucht liet het
Uit mijn handen glijden
Trok de dekens op
Zocht troost onder dons
Een zucht snuitte de wiek
Het zwoele parfum van
Dat heerlijke alfawijfje
Werd verdrongen
Door Lucifers hellegeur
Verzonk in dromenland
Geteisterd door hellevegen
Hopend dat ‘s morgens
Bij het ontwaken
Jouw tedere woorden
Mijn wereld weer
Vrolijk zullen maken


20:43 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

11-11-05

JIJ LIEVE LEIE

Eens zocht je je weg, bochtig kronkelend,
stapvoets langs wond're weiden.
Koeien dronken en zochten
de heilzame koelte van je helder nat.
In de zomerzon zinderde het licht
over smaragden gras en gulden vlas
Sierlijke watervogels vonden er,
dankbaar en vreugdevol, vertier.
Thans blijf je nauw'lijks op dreef,
vertraagd door de vervuiling
van de natuurvernietigende industrie.
O Leie, wat heb jij de mens misdaan
om in alle stilte
jouw door menig kunstenaar bezongen schoonheid,
moedeloos en gelaten, te zien vergaan.
Verman je en verban
wat de mensheid je heeft aangedaan.
Kom, vaar mee
met zij die het goed met je menen
Treur niet, 't is geen verleden tijd,
eens ben je weer die gouden rivier,
een gezongen landschap
waar het goed is te vertoeven
in die heerlijke natuur
die we toch allen behoeven.
 

10:39 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

08-11-05

HAIKU of ook net niet?

Een zomerse zon
Schenkt de kille herfstmaanden
Een kleurenpalet


14:03 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

06-11-05

ONZICHTBAAR

De wind streelt de blaadjes

 

Of scheert langs de kruin van de boom

 

Elkeen hoort zijn zuchten of kreunen

 

Maar niemand heeft hem ooit gezien


10:18 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

11-09-05

JE MAG TOCH EENS DROMEN, NIET?

Een boek schrijven ? Ben je helemaal "nuts" geworden ? Waarover? Je jeugdjaren, maar geenszins autobiografisch. Hoe noem je dat ? "Cherished Memories". Dat is té gek. Je wil dus alle impulsen en beelden die je grijze massa, of wat ervoor moet door­gaan, neerslaan in teksten, maar de personages en situaties transponeren. Dzeejus, wat gebruik jij geleerde woorden ! Begrijp je zelf wel wat je vertelt? Enfin, daar zijn nu verklarende woordenboeken en gesofistikeerde computerhulpjes voor.

Denk jij dat er ook maar  een mens is die wat heeft aan die dolgedraaide fantasmen waar je nu nog steeds mee rondloopt ? Vergooi je tijd niet. Neem vakantie. Ontspan je. Gun je geest eindelijk eens rust. Er is toch geen ziel die je "au sérieux" zal nemen, laat staan het boek kopen. Trou­wens, de eerste de beste derderangsuitgever gooit jouw manuscript in de dichtstbije papiermand. "Paperback writer", maar dan létterlijk én op zijn Vlaams!

 

Oké, ik weet het, het lijkt onzin, maar ik moét het schrijven. Een verhaal vol nostalgie, liefde, passie, angst, frustratie en ongenoegen kan de lezer niet onverschillig laten. Ik heb mijn leven lang geobserveerd, genoteerd, gewikt en gewogen. Ik moet die data ergens verwerken! Kijk naar die pedante typetjes, de één met een slagersbrilletje of dan die langharige, schizofrene viespeuk die steeds maar ettert over "klare taal". De één is virtuoos in taalgebruik en het vereist soms hogere studies om zijn trilogieën te decoderen. De andere heeft – in oplage -de modale stationsromannetjes verdrongen en ‘leest’ omdat men er een ‘hype’ van gemaakt heeft en hij Boontje als viezentiest naar de kroon wil steken. Ze worden daarenboven columnist bij progressieve tijdschriften, noemen zichzelf taalpuri­tein, maar worden fel belaagd door ’t Voske van Wippelgem, die in eenvoudige taal het volk weet te bekoren. Wat hebben die kerels méér als ik ? Jean-Pierre schreef toch ook turfen van duizend bladzijden in amper een week. Als dat het kruim is van onze hedendaag­se literatuur, dan spring ik op hun boot. Wat heb ik erbij te verliezen ? Ga ik kopje onder, wat dan nog, er staan een dozijn andere pseudo-talenten klaar om de rol over te nemen... Dan vergeet ik nog Verhelst, Aspe, Van Laere, Mendes en andere Bavo’s, maar dat genre ligt me enkel als lectuur.

 

Ach man, ze lachen je gewoon in de vernieling. Geloof me vrij, zonder literaire achter­grond, zakelijke relaties en vooral lef - en dit heb je allemaal niet - krijg je sowieso het deksel op je neus. Maak je niet ridicuul en laat ‘romanceren’ aan hen die er aanleg voor hebben. Blijf jij maar bij die eenvoudige dichtsels en loof de Heer’ dat ze verkocht én gelezen worden in eigen regio...

 

 Kalm aan, vriend, nu word ik jouw geleuter zat. Wie zijn die jonge goden wel, dat ze ongestraft bladzijden lang mogen masturberen of zich bezuipen, hun ingebeelde leed verstoppen achter in Xanax en Valium vermomde vrouwen en daarenboven nog op de handen gedragen worden door een meute "vernieuwende" critici ? Als zij, de nieuwe "HEREN" zijn van Vlaanderens cultureel erfgoed, word ik er "herenboer". Niks zal me stoppen. Een ouderwets verhaal moet het worden. Een story waar iedereen van mijn generatie een stukje van zichzelf kan in terugvinden. Jij gelooft er niet in, maar ik durf je verzeke­ren dat er, ondanks die schijnbare onverschil­lig­heid bij het individu, bij elkeen die het zal lezen, een vluchtig of blijvend gevoel van déjà vu zal bestaan.


 

Wat kan er dan zo belangrijk geweest zijn aan dat onbenullige, dat saaie, dat jij een gelukkige jeugd noemt ?  Je was niet eens gelukkig, toen... Je was eerst schuchter, bang van je schaduw en op school was je ook al geen groot licht. Het enige wat je had was je grote bek, jouw arrogantie  en je tomeloze fantasie, waar je telkens naartoe vluchtte als de realiteit je niet zinde. Om aan je diploma te komen heb je niet anders gekund dan je dubbel te plooien over onmetelijke stapels cursussen en bij de profs blufpoker spelen...

Later deed je het al niet veel beter. Door je fysieke handicap werd je een gefrustreerde en arrogante  "dwarsligger". Je was pisnijdig op wie gezond was, maar, toegegeven, je wou er ten koste van alles bijhoren en je klok laten horen. Dat siert je, maar moet dit de ruggengraat worden van een goed verhaal ?

 

Donder op jij. Ben JIJ mijn mentor of dat vervelend mannetje uit mijn gespleten karakter? Ik voel diep in mij dat ik het moét schrijven, maar dan wel in "héél klare taal" ...




14:11 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

17-07-05

EEN VLEUGJE CURSIEF

Het puntje van de Mont Blanc

 

Toen dader van dit schuinstukje in de mot kreeg dat hij toch enig talent had om van woorden zinnen en van zinnen sluitende teksten te maken, stond bovenaan zijn verlanglijstje een heuse "Mont Blanc─pen". Ik neem aan dat de mond van de generatie pc-gebruikers openvalt van verbazing. De oudsten onder ons zullen glimlachen. Waarschijnlijk hebben ook zij heimelijk gehoopt zo'n kleinood tussen duim en wijsvinger te houden. De generatie na ons zal zich zeer vaag herinneren waarover het zou kunnen gaan. Zij die met cobol, basic en andere ‘jaren zeventig toestanden’ werden grootgebracht zullen echter voor de geijkte beweging van wijsvinger tegen slaap opteren. Waar lult dié man nu over ? 

Ja jongelui, zegge en schrijve 1964. Een gouden tijd, gekenmerkt door hét fenomeen van de eeuw, Beatlemania en Merseybeat, waar het in was een Parker, Mont Blanc of Waterman in het ‘pijpzakje’ van het afgeklopt, goed gesneden kostuumpje te hebben.

Nee, dat hebben jullie niet mogen meemaken, jongelingen! Jullie werden verwend door de technologische vooruitgang. Wij leerden nog kalligrafie en schreven zelfs met een ganzenveer. Maar de ‘Mont Blanc’ was het summum van de schrijfkunst. Ondanks dit statussymbool schreven de ijverigsten onder ons toch vrijwillig in voor de lessen dactylol. Waarom dan ?

Omdat de juf niet alleen een mini droeg, maar daarenboven mooi en sensueel was. ‘The quick brown fox jumps over the lazy dog’ was een idiomaticum in de dactylografie. We zouden ‘Typ gezwind, tien vingerblind’ met ons eigenste zakgeld betaald hebben, alleen al voor die mooie blauwe ogen van de blonde tikjuf.

Waar anderen 's middags lulden, geuze of ‘tangootjes’ naar binnen werkten in spijbelkroegen als The Sunset of 't Putje en de jonge juffertjes van St─Pierre of St─Bavo imponeerden, waren wij, de gehoonde intellectuelen, blindelings aan het typen en loensten af en toe over onze tekststandaard naar die snoes van een juf met haar alles onthullende decolleté.

Een houten bakje moest verhinderen dat wij de aangeslagen toetsen konden bekijken. Op het ritme van een metronoom gleden onze vingers over de onwillige toetsen van de ouderwetse schrijfmachine, de ogen wazig op de saaie tekst, eerder gefocust op juffrouw De Munter.

Als je de richting economie volgde werd van jou verwacht dat je secretariaat erbij

nam. Mijn geestesgenoten en ik deden dat met hartstocht.

Die eerste literatuur vloeide echter uit de Parker of de ‘Rolls Royce’ der vulpennen, de ‘Mont Blanc’.

Toen reeds schreven we de Tachtigers onder tafel. Tenminste dat was ‘onze’ overtuiging.

We lieten hun oubollige stijl voor wat hij was en spiegelden ons aan de onvolprezen Jan Cremer en de volkse viespeuk Louis─Paul Boon, die in die tijd dagelijks het socialistische strijdblad ‘Vooruit’ opfleurde met zijn cursiefjes en erotische fantasieën.

De honderden liefdesbrieven, waar Choderlos Clos een punt kon aan zuigen, schreven we echter met de pen. Het getuigde immers van etiquette en welopgevoedheid dat je de boodschappen naar je geliefde in een onberispelijk handschrift afleverde.

Van personal computers en tekstverwerkers hadden we toen nog geen weet.

Het gebruik van de logge IBM's in de industriële─ en financiële wereld, was ons wél aan het oor gekomen, maar niemand dacht eraan dat de PC op het einde van de Twintigste Eeuw ons doen en laten zou beheersen.



 

Big Brother is watching you, zoals Orwell deze maatschappelijke evolutie noemde...

Ikzelf ben eigenlijk aan het schrijven en dichten gegaan omdat mijn leraar Nederlands, de onvolprezen germanist en televisiepresentator, Paul Van De Velde, tot vervelens toe herhaalde : <Bert, jouw verhandelingen slaan nergens op. Je zal nooit iets deftig op papier krijgen en als acteur ben je trouwens evenmin een groot licht.>

Die smadelijke en, in mijn ogen, onterechte opmerkingen deden mij meer pijn dan ik wou bekennen. Acteren, dichten en schrijven was mijn leven. Ik probeerde in de redactie van het schoolblad te komen, maar toenmalig hoofdredacteur en taalpuritein, Marc Van Poucke, later  bekend van het Radio 2─programma Bistro & Co en andere luistertoestanden, heerste als God de Vader over ‘Iris’, het blad van ons Vossenkot. Hij weigerde steevast mijn, voor die tijd, té revolutionaire teksten in 't schoolkrantje op te nemen. Misschien had hij geen ongelijk…

De kentering kwam er pas in 1966. Toen ik mijn broek verder versleet op de banken van de ‘English Club’, ontmoette ik toevallig in het stamcafé van ‘de mannen van ’t Paleis’, het roemruchte Trompetje, de eigenaar─uitgever van De Landwacht.

Hij had zijn redactie en kantoren in de nabijgelegen Savaanstraat waar ik (af en toe) school liep.

De waardin van 't café had hem enkele van mijn pennenvruchten laten lezen. Schijnbaar sloeg mijn directe schrijfstijl bij hem in. Op een dag nodigde hij mij uit op zijn kantoor. Mijnheer Van Houcke zocht jong talent en in ruil voor een jaarabonnement op zijn krant, mocht ik driemaal per week dertig regels vullen op de regionale sportbladzijden.

Van De Velde glimlachte minzaam toen men hem attent maakte dat één van zijn weerbarstige ex-discipelen aan sportverslaggeving deed. <Bert, je denkt er te zijn, maar een krant is maar een krant>, zei hij me. <Dat is voer voor de man in de straat. Literatuur en voordrachtkunst staan nog ettelijke treden hoger ...>

 

Dit verhaaltje om te vertellen dat de huidige generatie verdomd verwend werd door de opkomst van de informatica. Als ik zag dat tussen de post van mijn toen zestienjarige dochter liefdesbrieven puilden in tientallen soorten lettertypes en een gevarieerd aanbod aan clip art of fotomateriaal met de inkjetprinter of laser op het verduldige papier gedrukt, dan vroeg ik me toch af waar de romantiek gebleven was. Ik vond dat allemaal zo kunstmatig en onpersoonlijk.

Ik geef het toe. Ik was ergens jaloers dat ikzelf die technische vaardigheid niet had om met de PC iets anders aan te vangen dan teksten te schrijven, hier en daar opgefrist met een leuke ‘geprefabriceerde tekening’. Om dit alles te beheersen was er echter tijd, geduld en oneindig veel oefening vereist en deze drie elementen pasten niet in mijn drukke dagindeling.

Mijn generatie moest dus met die handicap leren leven. We werden platgewalst door de informatica en om onze job veil te houden, waren wij als complete leek verplicht ons nu te verdiepen in literatuur over tekstverwerking, rekenbladen en databases. Ik geef toe dat het al bij al meeviel en een verrassend leuke openbaring werd.

Een PC is handig en als je lange epistels moet afleveren krijg je nauwelijks kramp in de vingers. Met die Mont Blanc had je die wél... De wereld evolueert en je moet mee. De grillen van de PC kreeg ik wonderwel snel onder de knie, maar de kalligrafie heeft wel moeten inbinden.

De Mont Blanc werd een sierstuk op mijn bureau en als hij niet droogstaat koester ik hem nog eens om een kattebelletje of een vers neer te pennen. Een ‘Mont Blanc’ verwaarloos je niet!


12:04 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

03-04-05

FILOSOFEREND

De toekomst is een onbeschreven blad

Leven, inkt om het in te vullen

Wij zijn de kroniekschrijvers

Kennis de grens van het weten

 

Angst, obsessie, fantasie

Horen tot de wereld van de mythes

Met onze wildste dromen en nachtmerries

Moeten wij tot de eeuwigheid leven

 

Eens dat maagdelijk blad beschreven

Vervagen die gedachten even

Maar de schoonheid van de inhoud

Heeft niets met de kleur van de inkt

Maar alles met wat we verwoorden

 

Hou je gedachten steeds voor de geest

Het leven is waard te worden geleefd


15:25 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

VRIJHEID

In mijn schoolschriften
op mijn lessenaar
op de bomen
in het zand en in de sneeuw
schreef ik jouw naam
 
Op de vogelnestjes
op de bloemen
op de korenvelden
op de vogelvlerken
schrijf ik jouw naam
 
Op iedere morgenstond
op ieder avondrood
op de wolken
op de regen
schrijf ik jouw naam
 
Op de pleinen en de paden
op mijn hond en op mijn kat
op mijn huisdeur
op de vlammen in de haard
schrijf ik jouw naam
 
Op het voorhoofd van de mensen
op iedere toegestoken hand
op alle aangeboden lippen
op elke nieuwe hoop
schrijf ik jouw naam
 
VRIJHEID 
 
Dit 'strijdlied' kreeg ik toegestuurd door mijn goeie vriend en geestesgenoot Gwij van Campen en wou ik jullie niet onthouden...

15:18 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

06-12-04

LEVEN MET MUZIEK

 
Zonder muziek is mijn leven niet
op het sterke ritme van de beat
laait mijn hart
vergeet ik alle smart
jij bas, met je doffe tonen
dank je voor de steun
waardoor ik bij mijn solo-slim
grillig scherp boven jou gekreun
hoog de toonladder van het leven beklim
muziek, in jou vecht ik mij vrij
jij brengt de vreugde in mijn leven

08:39 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (4) |  Facebook |

23-11-04

VOLTOOID VERLEDEN?

De warme zon op mijn schouders

 

Koude, kille eenzaamheid eronder

 

Angst siddert door mijn lichaam

 

Het alleen zijn vreet aan mij

 

Ik mis wat vroeger was

 

en nooit meer komen kan

 

Wanhopig sluit ik de ogen

 

Smekend om liefde en tederheid

 

Komt de dag dat alles alles was

 

Of is die voltooid verleden tijd ?

 

 

 

trouvaille in een bundeltje brieven aan Ingrid Desot

(wat zou er van haar geworden zijn?)


16:41 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

31-10-04

ALLERHEILIGEN

De wind streelt de treurende chrysanten
en laat het tanende lover van de beuken
bij die verstoorde eenzaamheid kreunen
De wind zingt een klaaglied van verdriet
voor eenieder die het aardse leven verliet      
 

bedenking bij een bezoek aan moeders graf



17:39 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

21-09-04

H E R F S T

 

 

 

Als september kleur bekent

Na het milde lentegroen

En de zomerse regenzon

Gaan we op de bank zitten

En mijmeren gelaten over

Die trek naar het zuiden

De vele gemiste kansen

Dan hunkeren we heimelijk

Na de herfst en kille winter

Naar een speelse lente

Die ons dan misschien toch

Een zuiderse warmte ontlokt

 


17:25 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |