16-05-06

BINNENKORT NIEUWE BUNDEL

Om jullie aan te kondigen dat mijn nieuwe dichtbundel vanaf 6 juni 2006 in de boekhandel zal liggen pende ik een kort gedichtje:

 

DURF

 

Vriendschap effent de weg

om door het leven te gaan

liefde haalt die band aan

zo durf jij je gevoelens aan

en ebt die band nooit weg

stilaan

 

16 mei 2006

 

 

14:44 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

01-05-06

EEN LANG KORTVERHAAL

Gezien dichten momenteel niet zo denderend lukt, pende ik met mijn ouwe 'Mont Blanc' een kortverhaal neer en schreef in voor de Ward Ruyslinckprijs 2006.

Vijf bladzijden hersenspinsels. Zwoegen, denken, fantaseren... Resultaat: glansrijk gebuisd! Toch gooi ik het op het net...

 

MUTATIE

 

Het perron voelt akelig en kil aan. De trein naar Keulen van 7.03 uur heeft zowat tien minuten vertraging. Pauls ogen tranen. Toch steekt hij als neusverwarmertje zijn obligate Benson & Hedges op. Hij merkt dat zijn handen beven. Nochtans is alles rustig. Alleen het verwarrende rumoer van de spoorreizigers en de klaaglijke, eentonige stem van de omroeper die door merg en been snijdt.
Hoewel hij amper een maand tot de forenzen voor Brussel hoort, baalt hij van deze rit. Die wriemelende massa die zich in een chaotische wave op de treintrede stort om een knus zitje in te pikken en jouw ribben en ballen met ellebogen en hielen bewerkt om toch maar eerst te zijn. Walgelijk en kleinburgerlijk vind hij dat. Dit gedoe geeft hem de bibber en stuwt zijn ontbijt naar de keel als hij denkt aan al dat geduw en getrek van egoïstische zielenpoten op weg naar een dagdagelijkse job, die hen meestal amper wat jam tussen het brood oplevert. Zij die zich méér kunnen veroorloven, reizen rustig, wegzinkend in de knusse zetels van een eersteklascoupé, hun Standaard of L’Echo doornemend. Dat klassenverschil moest weggewerkt worden, maar wie is hij? Exact: één van die zielenpoten.
De psycholoog relativeerde die zienswijze in zijn plaats. <Paul, jongen, > zei hij tot vervelens toe, <hoe kun je jou nu ongerust maken om een treinreis van amper veertig minuten tot de hoofdstad? Vooraleer je goed en wel je plekje gevonden hebt in de coupé, ben je ter bestemming.>
<Weet hij veel, die betweterige Freudiaan,> dacht Paul. <Telkens trillen mijn ledematen als ik die trein opstap om tussen de klamme, naar goedkope deodorant ruikende, ontbijtende habitués mijn weg te banen naar een rustig hoekje waar ik nauwelijks opgemerkt word. Die oase vind je echter enkel in het naar pis stinkende toilet, maar als claustrofoob ben ik daar evenmin ontspannen en sta ik doodsangsten uit. Daarbij komt dan nog dat een vroege klant steevast nood heeft om op een nuttige manier van het kleine, enge kamertje gebruik te maken.
Meestal zoek ik dan maar een plaatsje op het randje van een groene, plakkerige zetel, dicht bij de middengang, waar ik bij dreigend gevaar weg kan vluchten. Mijn onwetende kompanen van elke dag proberen een conversatie aan te knopen over de alledaagse berichten in de ochtendkrant. Ik ben bekrompen gezelschap, want elke blik, elke toenadering maakt mij enkele centimeters kleiner. Mijn spieren zijn als te hard aangespannen snaren van een gitaar en dreigen elk moment te zullen knappen. Mijn oren suizen en mijn ogen worden wazig, tong en keel worden droger als een woestijnbeekje in de Sahara. Ik krijg geen klank over mijn lippen. Ik ben angstig. Voor wie of wat?
Geen mens kan het verklaren. Zelfs vier maanden intensieve therapie bij een geduldige zielenknijper bracht geen oplossing. Het is beschamend dat te moeten bekennen, maar ik, de vroeger zelfzekere, ja arrogante Paul De Necker, had de eerste week mijn oude vader nodig om mij 's morgens tot Brussel te begeleiden. In zijn diepe binnenste nam de brave man het mij kwalijk, maar toch had hij er ergens begrip voor. Hij wist door welk inferno ik, enige en overbeschermde zoon, gegaan was en hij bleef veel te toegeeflijk. Een schop onder de broek had misschien wonderen verricht, maar dan dacht hij terug aan zijn jeugd, toen zijn ouders hem het vertrouwen niet gaven dat hij meende te verdienen. Hij was handig en leergierig. Toch had hij moeten zwoegen als brouwersgast om zelf zijn studie te bekostigen. Van thuis uit moest hij koeier worden bij boer Vaernewijck en als de tijd gekomen was met vader en broers naar Frankrijk trekken voor de bietenoogst. Hij had dit ronduit geweigerd en was naar de stedelijke academie getrokken. Tot zijn laatste centiem had hij uitgegeven om decoratieschilder te worden. Hij was dan ook terecht fier dat hij in dat opzet geslaagd was. Paul was uit hetzelfde hout gesneden. Niet dat hij handig was. Integendeel. Op gebied van handvaardigheid was hij een nul. Wel was hij rad van tong en vlot van pen. Toch had vader hem liever als loodgieter of mechanieker gezien. Dat was volgens hem dé toekomst. Een zelfstandige, een middenstander had de mogelijkheid om wat zwart geld te potten. Een pennenlikker gaf zijn laatste frank aan de fiscus, maar Paul had die voorgekauwde theorie – waar toch enige waarheid in school – nooit willen slikken. Zijn ouwe man had het niet voor intellectualisme en literatuur. Tenslotte kon je de natuur niet dwingen en hij had er zich bij neer moeten leggen. Stiekem was hij wel een beetje fier op de overredingskracht van zijn zoon, want had ook hij zijn willetje niet doorgedreven?
Met deze gedachte wandelde hij dan, rustig, als een toevallige voorbijganger, mee tot honderd meter voor de building waar ik werkte. Daar scheidden onze wegen en snelde vader terug naar het station om zijn trein te halen. Hoewel hij aan de andere kant van het land zijn bezigheid had, stond hij 's avonds stipt om 17.13 uur op het perron, zonder teken van herkenning te geven, ietwat medelijdend achter zijn beduimelde krant, toe te zien hoe zijn eens zo veelbelovende, dominante zoon, bangelijk de seconden aftelde tot Gent-Sint-Pieters. Geen mens die de relatie tussen die twee vermoedde toen ze beiden naar de enkele straten verder geparkeerde wagen slenterden. Ik kroop achter het stuur en samen reden we huiswaarts, waar ik meestal uitgeput, totaal leeg, in tranen uitbarstte door de opgekropte emoties van die dag.>


Emoties, zeg je? Wel ja, de doodgewoonste dingen waar een normaal mens niet bij stilstaat, daar had Paul de grootste moeite mee. Een bureauchef die een bediende uitkaffert, deed hem gewoon in mekaar krimpen. De loeiende sirene van een politiewagen op de laan, het onophoudelijk rinkelen van tientallen telefoons in een zaal waar veertig en meer stofjassen saaie dossiers behandelen, het bracht hem allemaal in paniek. Stomme, sullige zaken. Hij kan zich moeilijk concentreren op zijn taak. Gelukkig is zijn job stereotiep en heeft nog geen enkele van zijn oversten aandacht geschonken aan zijn problemen. Hij laat ze dan ook in de onwetendheid. Vraag mij niet hoe het zover is kunnen komen. Is hij schizofreen? Manisch depressief of gewoon een zwakkeling die niet meer kan functioneren in de drukte van de twintigste eeuw? Geen mens vond er ooit een verklaring voor. Enkele pillen per dag moeten hem verder helpen. Heimelijk slikt hij, nauwlettend dat niemand hem betrapt. De wereld lijkt voor de sterken, bewijs dat je erbij hoort. Ik merk dit als we naar de rustpauze van 10.30 uur toegaan. Uitgelaten verlaat de kudde pennenlikkers de immense zaal. Alleen een steeds wisselende permanentie blijft op post. Doortrapt als hij is, probeert Paul even voor die tijd naar de toiletten te verdwijnen. Na enkele dagen had de dienstchef dit echter door, riep hem ter verantwoording en verweet hem zijn asociale gedrag. Toen kon hij er niet meer onderuit en moest hij net als de collega's op dit ontiegelijke uur bij een gezellige babbel twee Mort Subite achter de kiezen slaan. Waarom nam hij zijn oversten niet in vertrouwen? Dat kon niet. Binnen de kortste keren zou hij het centrum van spot worden, want elke gelegenheid werd benut om iemand in zijn hemd te zetten. Steeds weer zocht men een nieuwe pispaal.
‘s Maandags stond Paul De Necker met dikke ogen en geeuwend van de slaap op de 7.03 te wachten op perron 10. Hij friemelde in zijn pakje, maar de sigaret wou er maar niet uit. Hoewel hij dacht van wel, nam geen mens notitie van zijn nervositeit. Frieda van de Nationale Loterij kwam eraan. Hij nam dankbaar een Marlboro aan en inhaleerde nerveus de rook tot diep in de longen. De manillers kwamen er ook bij. Alleen Jacques ontbrak nog. Den Tsjok, zoals hij in de wandeling werd genoemd, was ook uitsmijter in dancing Balmoral en zou, ongetwijfeld stinkend naar de drank, enkele sterk gekruide verhaaltjes uit zijn mouw schudden. De trein liep binnen en de massa zette zich in beweging. Het dagelijkse gevecht om een zitje was begonnen. Geen tijd voor angst, je moest met de stroming mee, want anders werd je meedogenloos verpletterd. Dit had Paul ondertussen begrepen. De ellebogen gebruiken, ook al had je het gevoel dat je sluitspieren het zouden begeven onder de druk van die dagelijkse sleur.
Net nu hij enigszins over zijn treinangst heen was, begon Paul aan zijn laatste week pendelen. Het deed hem ergens pijn. Hij had vertrouwen gekregen in zijn reisgenoten en hun gezelschap hield hem rustig. Alleen de twintig eenzame minuten als voetganger in de hoerenstraat naar het kantoor toe, waren hem als een probleem bijgebleven. Hij keek dan ook niet op en als hij dan al eens door een charmante juffrouw aangesproken werd, lachte hij innemend terug en versnelde zijn pas. Niet dat ze hem angst inboezemde. Integendeel, het waren lieve, meestal jonge meisjes, die eenzame, bange zielen als Paul beter begrepen dan wat voor witjas ook. Tijdens de middagpauze kwamen ze vaak in hetzelfde Café Rotonde, waar ze méér dan blij waren rustig te kunnen praten met een man, zonder daarom de benen hoeven te spreiden. Vanaf het Gulf Station keek hij rustig om zich heen en stak behoedzaam het drukke kruispunt over. De glazen dubbele deur knelde zoals steeds. Haastig liep hij naar een van de vele liften, snelde de zaal binnen en groette de lotgenoten. Zij kenden Pauls ritueel. Hij liep naar zijn kast, haalde er de rol toiletpapier en de handdoek uit en verdween in de lavatory. In het begin grapten ze er gretig over, maar mettertijd hadden ze begrepen dat zijn spanningsveld juist onder de maag lag.
Paul had er een aantal maanden voor nodig gehad, maar met de hulp van enkele meer bezadigde collegae, die hij uiteindelijk in vertrouwen had durven te nemen en die zijn geheim wonderwel bewaard hadden, vond hij er nu plezier in te grappen en te grollen in de kantine. Hij durfde zelfs al eens een kaartje te leggen en zich te laat bij zijn dienst vervoegen, de snauwende opmerkingen van de dienstchef negerend.
De laatste werkdag in het Brusselse hoofdkwartier beloofde voor Paul De Necker een zware klus te worden. De bureauchef had hem nochtans van alle taken ontslagen teneinde, zoals destijds in het leger, de minst nuttige en meest absurde attributen aan Den Boestering over te dragen. Een echte Ket die de materiaaldienst beheerde en zijn naam te danken had aan het feit dat hij minstens tweemaal per week pekelharing vrat.
Kapot gekauwde potloden, passers, gekromde meetlatten, volgekladderde vlakgommen, handdoeken en de niet opgebruikte rollen toiletpapier werden zorgvuldig opgeborgen in de muffe rekken van de materiaalpost en als bewijs van inlevering van staatseigendom, kreeg Paul dan ook een nauwkeurig ingevulde, ondertekende en van een officiële stempel voorziene kwijting in de plaats.
Na de schoonmaak van bureauladen en bureel, voorzichtig omspringend met Instanet en stofdoek, verfriste Paul zich en mocht hij op de borrel bij directie-inspecteur Krups, een eng, zelfingenomen figuur, dat hij in die zes maanden noch van ver noch van dichtbij had gezien. Na wat hand geschud en de vermoedelijk gebruikelijke lofwoorden over hoe voorbeeldig Paul zijn plicht had vervuld, wurmde Krups zich moeizaam uit zijn stoel, liep naar de bar, waar hij twee glazen nam, er met een handigheid die je niet van hem verwachtte, ijsblokjes in deponeerde en ze bijna tot de rand met een exclusieve whisky vulde. <Bij een afscheid hoort een stevige neut,> orakelde hij, monkelend als altijd.
Hoewel hij Paul enkel kende van de zorgvuldig bijgehouden personeelsfiche, loofde hij andermaal zijn inzet, voorspelde hem een mooie administratieve carrière en wenste hem voor de toekomst alle geluk en vooral een betere gezondheid toe. Krups had blijkbaar smaak in de Chivas en maakte aanstalten om nog eens vol te tanken. Paul weigerde beleefd. Hij sidderde als hij dacht aan wat er nog komen moest. Fred en Bert waren met de pet rondgegaan om met die afscheidspremie, zoals ingewijden dat noemen, enkele flessen jenever, whisky en snacks te gaan halen in de nabije drankslijterij. Het was een ongeschreven wet dat bij een afscheid, ondanks het verbod van de directie, de collega's zich uitbundig bezatten en de muterende uitgeleide deden naar het station. Onderweg bleven de hevigste struikelen over de stoep van de meisjes van plezier. Paul was als in een euforie en hoewel hij zwijmelde, was hij helemaal niet zo dronken als hij zich voordeed. De trein reed net perron vier binnen en de ongedurig wachtende reizigers maakten wijselijk plaats voor het legertje aangeschoten staatsdienaars. In de ijzige decemberkou hadden de meeste zich flink gehouden. Eens in de oververwarmde treincoupé, kon men tot drie wagons verder meegenieten van het gesnurk van de drinkebroers.
Even voorbij Denderleeuw vielen ook Pauls ogen dicht. Hij zakte gelukzalig onderuit  terwijl zijn reisgenoten, als roken zij hun stal, in de omgeving van Merelbeke uit hun roes ontwaakten. In alle stilte verlieten ze de trein in het Sint-Pietersstation en lieten Paul, rustig tegen Fred aangeleund, in zijn diepe slaap achter. Pas in Adinkerke werden beiden gewekt door de treinwachter. De wagons waren uitgerangeerd en er was geen trein terug. Paul sloeg in paniek. Het schreien stond hem nader dan het lachen en hij moest hoogdringend. Fred, die wist hoe labiel het gestel van zijn vriend was, sprak hem vaderlijk toe en belde een taxi, die hen voor aardig wat centen naar Brugge bracht. Met de laatste trein arriveerden ze probleemloos in Gent. Fred nam afscheid en ging er nog een drinken in de Falstaff. <Je kan nooit weten of er eentje te versieren valt,> riep hij Paul toe als afscheidsgroet. Paul sukkelde naar zijn auto en slaagde erin met een slakkengangetje veilig de thuishaven te bereiken. Daar waren ze uiteraard hevig van hun melk.Het was niet van Pauls gewoonte om later thuis te komen. Hij had zijn vaste schema en dat zat er diep ingehamerd. Hoe ze thuis ook sakkerden, Paul trok de kleren uit, verzonk in een diepe, verlossende slaap en bleef de hele zaterdag in bed, nog steeds bibberend van de doorstane emotie en met een kater van jewelste.

Dinsdag 2 januari. Paul De Necker had geen oog dicht gedaan. Iedere minuut van de nacht had hij langzaam zien voorbij schuiven op de digitale wekkerradio. Tot tweemaal toe was hij de trap afgestommeld op zoek naar iets drinkbaars in de zoemende ijskast. Ten slotte opteerde hij voor een halfvolle fles champagne, in de hoop dat de interactie met de kalmeermiddelen hem rust zou bijbrengen. Terug in bed nam hij een flinke teug en stak zich, tegen alle regels van het huis, een sigaret op. Af en toe lurkend aan de fles, probeerde hij ringetjes te blazen, maar zonder succes. Hij dacht terug aan de voorbije kerst- en nieuwjaarsdagen, concludeerde dat de balans positief was en ging terug slapen.

Rond vijf uur was hij reeds uit de veren. De koffie was aan het doorlopen en geurde heerlijk. Hoewel de familie De Necker reeds jaren over een degelijk koffiezetapparaat beschikte, weigerde vader deze te gebruiken. In een aftands winkeltje in Alveringem had hij zich een voorraad ringen en ouderwetse koffiekousen aangeschaft, waar de volgende generaties nog plezier aan konden beleven. <Al deze nieuwe methodes zijn waardeloos,> herhaalde hij steeds. <Vier maten koffie en een greep cichorei, zachtjes opgego­ten met kokend putwater, dat was pas koffie ...> Paul moest beamen dat vaders koffie inderdaad nog steeds de lekkerste bleef. Hij nam een kop en genoot van de eerste geute, zoals de ouderen dit noemden. Hij was ongewoon rustig en sinds hij in de keuken ronddwaalde, had hij nog geen enkel moment gedacht aan die eerste werkdag in die nieuwe werkomgeving. Moeder kwam zoals meestal zingend uit de badkamer. Het leek of zij de gave had om de zorgen op die manier van zich af te gooien, maar binnenin moeten al die opgekropte onmacht en de droefenis, haar gemoed zwaar ondermijnd hebben. Met vader had ze het niet makkelijk gehad. Hij dronk graag een pintje, legde graag een kaartje en kneep af en toe een katje in het donker, zoals Miel Cools dat zo mooi had geformuleerd. Dat dronkemansgedoe had ze onder de mat geveegd. Het was vooral Paul die haar zorgen baarde en diep ongelukkig had gemaakt. Had zij hem niet gewaarschuwd voor al die roekeloosheid? Maandenlang had ze aan zijn bed gewaakt tot hij er opnieuw bij was. Dat had haar enorm getekend. Ze liet Paul in zijn toren van stilte, smeerde vaders boterhammen en vulde zijn carnassière met een automatisme dat reeds dertig jaar onveranderd gebleven was.
Paul De Necker hoefde zijn pilot case niet aan te vullen met thermos, belegde broodjes en snoep. De eerste werkdag in de ambtenarij is een feestdag. Rond tien uur wordt verzamelen geblazen in de refter van de administratie. De directeur maakt een grondige maar onnodige evaluatie van het voorbije dienstjaar. Wat kunnen deze cijfers bijbrengen aan het voetvolk, het lagere echelon, dat er steeds voor spek en bonen bijloopt en door het algemeen in voege zijnde paraplusysteem altijd opdraait voor het spaak lopen van het raderwerk in deze logge machine? Zij, de kleine mannen, die de gevallen steken steeds weer moeten oprapen en stank voor dank krijgen, drinken zich naar traditie in en rond het station moed in om naar dat jaarlijkse gezever luisteren. Af en toe worden ze ertoe bewogen om, uit beleefdheid, de handen nog eens op elkaar te krijgen, als een collega de Ridder- of Kroonorde opgespeld krijgt, waarvoor hij zelf, nota bene, de kosten heeft moeten betalen.

Ook het verslag van de Vriendenkring – of hoe je die verkrampte inspanning ook noemen kunt – gaat aan de massa voorbij. Hun geest is reeds in hogere sferen en droomt van het moment wanneer het lichaam, gekluisterd aan het zwoele, tere lijfje van de heimelijk beminde vrouwelijke collega, over de dansvloer zweeft. Want vanaf dat moment, die dag voorbij, komt de harde realiteit. Nu vriend, dan Judas, is niet ongebruikelijk in dat bekrompen wereldje, waar zij met de sterkste ellebogen en de juiste politieke relaties het hoogst de hiërarchische ladder beklimmen.

Hoewel het pas zeven uur in de vroege ochtend was, stond Paul De Necker vertrekkensklaar. Frans De Wispelaere, hoofdcontroleur bij de personeelsdienst, had hem nochtans tijdens hun korte, koele kennismaking laten weten dat hij zich de eerste werkdag van het nieuwe dienstjaar pas tussen 9.30 en 10.00 uur diende te melden bij adjunct-verificateur Van Hove op de tweede verdieping. Paul worstelde echter nog steeds met het parkeerprobleem en even na halfacht zette hij zijn knalgele Triumph Spitfire probleemloos neer aan de hoek van de Voldersstraat. De stad was heerlijk stil en rustig. Een rust die af en toe verstoord werd door het gerinkel van de trambel in de nabije Sint-Niklaasstraat. Hoewel hij de ochtendeditie van De Gentenaar had meegenomen, kwam hij er niet eens toe de koppen te lezen. Om het lange wachten iets aangenamer te maken, had hij wel de autoradio aan. Paul De Necker had ergens ook een onbestemde angst voor het nieuwe. Vroeger zocht hij het avontuur op. Nu zou hij het liefst in een donker hol kruipen, weg van de buitenwereld en de realiteit. In feite was hij een zonderling sujet.

Maar in omstandigheden waar anderen de angst om het hart sloeg, was hij steeds alert en onversaagd. Een dualiteit waarvoor heel wat psychiaters en psychologen geen passende verklaring hadden kunnen vinden. Stelde je hem onverwacht voor de feiten, was hij ‘cool’, in het andere geval viel hij in kattenzwijm.

8.15 uur. Nog steeds geen beweging in de stad. Paul draaide de radioknop dicht, stapte uit, sloot zorgvuldig de wagen en ging een eindje lopen. Naast de universitaire aula ontdekte hij een handel in tweedehandsboeken. Hij was een veellezer en als de muziek hem niet meer kon boeien, zocht hij vaak zijn heil in een luchtige roman of in wetenschappelijke studies. Hij had pech want de winkel ging pas om negen uur open. Hij wandelde verder tot aan ‘Lieven Bauwens’, keerde dan op zijn stappen terug en liep de Gouvernementstraat in.

8.26 uur. De dienstingang was nog steeds potdicht. Traag slenterde hij opnieuw naar de auto en net toen hij wilde instappen, opende de koffieshop zijn deuren. Hij was de eerste klant. Paul bestelde een lait russe, zoals de echte Gentenaar een koffie verkeerd noemt. Toen de mollige koffiedame hem eindelijk bediende, was de zaak reeds halfvol gelopen met rustige, kranten lezende ambtenaren en kwetterende oude tantes, die bij een bakje koffie de opening van de Innovation afwachtten. <Hoi, ouwe zuipschuit,> klonk het achter Pauls rug. Hij draaide zich om. Het was verdomd nog tot hem gericht ook. <Biljarten in Het Trompetje, Paul. Weet je ’t niet meer of zijn de jeugdzonden uit je geest verbannen?> Nu herkende hij Dirk Van Wesemael, zijn schaduw in het derde jaar boekhouden aan het Handelsinstituut. <Wat doe jij in godsnaam in een koffietent?> stuntelde Paul onthutst. Het zweet brak hem uit want alle aandacht ging naar hen toe. Dirk was de stoere bink van de klas en tijdens het laatste lesuurtje waren hij en Paul er vaak tussenuit geknepen om een partijtje te carambollen in het café waar studenten en mensen van ’t Paleis gezamenlijk lol trapten. <Jaren niet gezien, joch. Wat kom jij aanvangen in je ouwe stad?> Paul vertelde dat hij als ambtenaar, na zes maanden hoofdstad, gemuteerd was naar de provincie en dat het vandaag uitgerekend zijn eerste werkdag was. <Wat? Kom je ons vervoegen in de Gouvernementstraat? Welkom! Ik stel je straks wel aan een paar toffe binken voor. Ik zit er nu drie jaar, maar weet, maatje, mochten het bier en de meiden mij geen bevredi­ging hebben gegeven, dan hadden ze me al lang uit de Kuiperskaai kunnen vissen ... Enfin, ik moet het je niet zweren, je hebt die enge mentaliteit al zelf geproefd, niet?>

 

Een betere hartversterker had Paul zich niet kunnen dromen. Loopt hij daar een oude schoolmakker tegen het lijf, en wat krijgt hij een opdonder van jewelste. Hij had gehoopt op collegialiteit en geborgenheid en wat staat hem in ’t verschiet: hartvreterij en hypocrisie zonder naam. Tenminste als hij Van Wesemael mocht geloven. Hoewel, Dirk had steeds uitgeblonken in het doorgronden van de gaven en gebreken van het mensdom. Weliswaar was hij tijdens zijn studentenjaren steeds afgeschilderd als het fuifnummer en de loltrapper bij uitstek. Toch hadden de meeste vrienden respect voor zijn mensenkennis en de unieke manier waarop hij door het leven laveerde. Het verwonderde Paul dan ook uitermate juist hem in dit saaie, bekrompen wereldje van de ambtenarij aan te treffen.
De Van Wesemaels hadden generaties lang een belangrijk zakenkantoor met een gigantische verzekeringsportefeuille. Van Dirk werd niets anders verwacht dan dat hij die familietraditie in ere zou houden. Na zijn studie economie had hij een tijdje stage gelopen bij de Bank van Brussel, maar na het leger was hij er niet meer teruggekeerd. Tot grote ontsteltenis van de familie aanvaardde hij een kaderfunctie bij C&A. Vooral zijn vader was er het hart van in. Gelukkig was zijn jongere zus voor hem ingesprongen en zorgde zij voor de opvolging. De liefde voor de prijsvriendelijke trendy shop was echter van korte duur gebleken en op aanraden van zijn vriend Patrick Van Geem nam hij deel aan een algemeen wervingsexamen voor alle ministeries. Dirk slaagde cum laude en werd bijna ogenblikkelijk benoemd in eigen stad. Hoewel de administratie hem geenszins boeide, filosofeerde hij dat enkel de maandwedde telde om te overleven. De vreugde en de zin voor het echte leven had hij ontdekt aan het Gentse Sint-Lucasinstituut. Mettertijd was de verkoop van zijn artistiek oeuvre belangrijker dan zijn ambtenarenloontje.
De uithuizigheid bij de studie en later bij het doceren aan de Stedelijke Academie had hem wel zijn gezin gekost, maar daar was hij, naar eigen zeggen, nu overheen. De verhouding met Myriam en de kinderen was harmonieuzer dan ooit tevoren. Hoewel Myriam een vaste relatie had, kwam ze nog geregeld over de vloer om familiale zaken te regelen, want hoewel ze uiteen waren gegaan, hadden ze besloten geen echtscheiding aan te gaan.
Alleen de eenzame nachten hielden Dirk uit zijn knusse studio met annex atelier. Het gebeurde dan ook vaak dat hij na de les bleef hangen met de leerlingen en 's morgens met een houten kop wakker werd op het kot van een van zijn studentes. Daarom ook was hij, als naar gewoonte, de koffieshop binnen gewandeld.

<Jonge meisjes moeten uitslapen,> orakelde hij. <Op die manier blijven ze mooi en vertragen zij het verouderingsproces dat een artiestenleven met zich meebrengt.> Hij offreerde Paul nog een koffie verkeerd en nam zelf, na de twee opkikkerende mokka's, een Irish coffee. <Op die manier kom je optimaal onder stoom en als het raderwerk van je levensmachine tegensputtert, doe je het wat kalmer aan. Ik leer je de streken wel.>

Paul en Dirk keuvelden nog wat over het leven in de administratieve gemeenschap en de brave, schuchtere Paul begreep, na de sterke verhalen van zijn tafelgenoot, dat er weinig verschil te merken viel met de Brusselse mentaliteit.

<Wat had je gedacht, mijn beste Paul, een ambtenaar is en blijft een ambtenaar, waar ook ter wereld,> zei Dirk terwijl hij de waardin erop attent maakte dat ze moesten opstappen.

Omstreeks 9.40 uur rekenden ze af en slenterden naar kantoor. Dirk introduceerde hem bij de personeelschef, hoofdcontroleur De Wispelaere en diens acolieten.

Het kantoor was kaal. Buiten hier en daar een verkleurde poster met een niet mis te verstane boodschap van een of ander ministerie was het interieur smakeloos, nergens een ziertje spontane menselijkheid. Het meubilair was – als dat kon – nog troostelozer en ouderwetser dan in de hoofdstad. Reeds bij de poort had Paul zich niet van de indruk kunnen ontdoen voor een versterkte burcht te staan. De zware poorten waren fors beslagen met enorme middeleeuwse nagelgarnituren en toen hij met Dirk het onooglijke, anachronistisch dienstdeurtje door was gewurmd, werd hij door een chaotische vrees bevangen.

<Wel, mijnheer De Necker,> zei De Wispelaere met fluwelen stem, <wees welkom in ons midden. Als er problemen zijn, kan je steeds op mij en mijn personeel rekenen. Maar wees gerust: de werksfeer en de collegialiteit zijn hier voorbeeldig.>

De manier waarop de man het zei, boezemde hem toch enig vertrouwen in. De Wispelaere had vijf man onder zich, waarbij drie jonge vrouwen. Twee ervan oogden mooi. De twee tikjuffers boden een verbouwereerde Paul hun nieuwjaarswensen aan met drie dikke smakkerds van zoenen. De derde, zowat de rechterhand van de chef, gaf een slap handje en prevelde iets onduidelijk tussen haar tanden. Zij was adembenemend mooi en was er zich duidelijk van bewust. Jérome en Emile waren reeds ‘fin de carrière’ en leken fijne kerels. Dat voelde Paul aan de stevigheid van hun handdruk en aan de maturiteit waarmee ze de nieuwe op zijn gemak stelden. Het was Emile die Paul zou begeleiden naar ‘het tweede’, de zaal waar de verse krachten werden ingewijd. De lift deed het natuurlijk niet. Geen ramp op zich volgens Mielke, maar dit betekende dat de afdeling enkel bereikbaar was via de noodtrap. Die lag aan de andere zijde van het gebouw, waarover hij vertelde dat het een samenvoeging was van een vroegere notariswoning en de stapelruimte van een meubelfabriek. Een hoogst merkwaardige architectonische combinatie, dacht Paul, maar hij besteedde er verder geen aandacht aan.

Na een lange klimpartij bereikten beiden De Tempel der Stilte. Die naam kwam er door de onverbeterlijke onderwijzersmentaliteit van dienstchef Maurice Van Hove. Hij duldde geen gepraat in zijn zaal. De vierentwintig lagere ambtenaren ondergingen dit lot wonderwel zonder morren. Bij het minste geluid keek Van Hove op en tikte – als in grootvaders tijd – met een stalen liniaal op zijn houten schrijftafel en betrapte hij er een, dan kon die zich gaan verantwoorden bij de directie-inspecteur. Zo'n reisje had dan wel disciplinaire gevolgen, zodat je een jaartje langer kon fluiten naar een gunstige quotatie voor eventuele verhoging in rang. <Maar,> stelde Miel hem gerust, <den Miesten valt wel mee en vooral, hij is uiterst gevoelig voor complimentjes en confidenties.>

Van Hove bleek inderdaad een minzaam man. Hij kwam achter zijn werktafel vandaan en liet zijn tekenwerk voor wat het was om de nieuweling passend te verwelkomen. Hoewel de zaal stilaan volliep, kwam niemand het gesprek storen. Pas nadat Van Hove met zijn liniaal aandacht vroeg om correspondent Paul De Necker voor te stellen aan de nieuwe werkmakkers, kwamen de tongen los en werden uitvoerig nieuwjaarswensen gewisseld.

Paul De Necker voelde zich de spreekwoordelijke hond in het kegelspel. Niemand schonk verder aandacht aan hem. Hij ging aan de hem toegewezen werktafel plaatsnemen en keek geamuseerd rond hoe zijn nieuwe collega’s elkaar om de hals vlogen en kwetterden als een zwerm spreeuwen. <Nu alles koek en ei,> dacht Paul, <maar morgen zitten ze mekaar weer in de haren. Loze woorden over geluk en gezondheid en verder het hele jaar door mekaar de ogen uitkrabben en roddelen. De administratie, een hol vol hypocrieten die hun chef zouden neuken om toch maar op een goed blaadje te staan, om een gunstige beoordeling te krijgen.> De mutatie was een feit. Nu kwam het belangrijkste:  de aanvaarding of is het berusting?

 

12:41 Gepost door Albert-Fernand HAELEMEERSCH | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |